10/06/2026
Ik kom bij een vrouw in Workum om vodden te kopen. Er moest wat worden verdiend. Bij de deur zegt ze tegen mij: ‘Wat brengen de vodden op, koopman?’ ‘Twee dubbeltjes per kilo, vrouw.’
‘Ja maar’, zegt de vrouw. ‘die en die wil een kwartje geven en je kunt de vodden wel krijgen, maar dan wil ik van jou ook een kwartje hebben.‘ ‘Nou mevrouw, als het niet anders kan, krijgt u ook een kwartje, maar dan verdien ik er niets aan.’
Nu kom ik op een hellend vlak, ik pak mijn ulster en zeg: ‘Zie mevrouw, dit is twaalf pond, dat is zes kilo, keer een kwartje, samen een daalder. Maar het was twaalf kilo, dus ik sta die vrouw gewoon te be******en. Ik kom later thuis, ga zitten om te eten en moet bidden voor het eten dat voor mij staat.
Omdat ik altijd bewust geleefd heb, denk ik ineens: Ja, ik kan die vrouw wel be******en, maar de Schepper die mij gemaakt heeft, die kan ik niet be*****en. Die weet tenslotte dat ik het niet heb verdiend, maar gestolen.
In mijn gedachten zeg ik nu: ik kan niet tot U bidden, want ik ben er op een oneerlijke manier aangekomen. Dan zegt Hij niet tegen mij; ‘Nou jonge, laat maar zitten’, nee, Hij zegt: ‘nu moet je eerst naar die vrouw toe gaan en ronduit zeggen dat je haar belazerd hebt.’
Dan zeg ik op mijn b***t weer tegen de Schepper: ‘Ja, maar dan heb ik morgen geen geld om eten te kopen’, want wij leefden toen nog bij de dag.
Onze Lieve Heer in mijn zegt dan: ‘Laat dat maar aan mij over Jopie, net als de mussen die vliegen in de lucht, die weten nergens van en je weet wel: niet een mus wordt gekwetst zonder dat ik het wil.’
Maar ja, wat doe ik? Ik ga niet naar de vrouw terug, nee, ik vreet mijn eten op en ga over tot de orde van de dag. Dat is de reden waarom ik mij klein voel. Ik laat mezelf gelden, ik ken geen nederigheid.
Schilderij: Achterdocht en arglist, 1964