19/05/2025
Voor mijn heling voelde autisme als overleven. Alles was te veel: geluiden, gezichten, verwachtingen, verplichtingen. Ik raakte constant overprikkeld en wist vaak niet waarom. Ik paste me aan, zette een masker op, deed wat er van me werd verwacht. Maar diep vanbinnen voelde ik me anders. Niet alleen anders als ‘uniek’, maar anders als ‘niet goed genoeg’. Ik was moe. Moe van het doen alsof, moe van het niet begrepen worden, moe van mezelf kwijtraken.
Mijn hoofd was vol, mijn lijf gespannen. Ik voelde me schuldig als ik tijd voor mezelf nodig had, en schaamde me voor wat ik niet kon. Ik dacht dat ik kapot was. Of in elk geval: niet zoals het hoorde. Ik leefde in de schaduw van wie ik werkelijk was.
De heling kwam niet in één keer. Het was geen magisch moment, geen oplossing van buitenaf. Het begon met luisteren. Naar mijn lichaam. Naar mijn grenzen. Naar de fluisteringen van mijn binnenwereld. En bovenal: met erkennen dat ik niet gerepareerd hoefde te worden.
Na heling is mijn autisme niet weg. Maar ik ben anders gaan kijken. Naar mezelf, naar mijn prikkels, naar mijn gevoeligheid. Ik zie nu ook de kracht in mijn manier van waarnemen, voelen, zijn. Ik weet beter wat ik nodig heb, en geef mezelf toestemming om daarin te voorzien. Zonder schuldgevoel.
Ik ben milder geworden. Niet omdat de wereld dat is, maar omdat ik het ben. Mijn zenuwstelsel is gevoeliger dan gemiddeld, en dat is geen fout – het is mijn toegangspoort tot diepe verbinding, tot intuïtie, tot het onzichtbare.
Autisme na heling is geen beperking, maar een unieke vorm van mens-zijn. Ik ben niet meer constant bezig met aanpassen, maar met afstemmen. Op mezelf. Op wie ik werkelijk ben, zonder masker. En dat voelt als thuiskomen.