20/03/2026
Wat doe jij als er oorlog komt?
Truus Wijsmuller had veilig kunnen zijn.
In haar comfortabele huis in Amsterdam.
Haar man was bankier. Geld was geen probleem.
Ze had kunnen winkelen, thee drinken met vriendinnen en een rustig leven leiden, zoals van een welgestelde Nederlandse vrouw in de jaren ’30 werd verwacht.
Maar Truus kon niet stilzitten terwijl kinderen stierven.
Na de Kristallnacht , toen nazi’s Joodse winkels vernielden en synagogen in brand staken, smeekten ouders om hulp.
Hun kinderen moesten weg. Nu.
De UK had beloofd Joodse kinderen onder de 17 op te nemen.
De Kindertransporten. Maar iemand moest het onmogelijke doen:
Nazi-gebied binnen gaan en die kinderen er daadwerkelijk uit halen.
Truus stak haar hand op.
In december 1938 nam ze de trein naar Wenen.
Truus vroeg een afspraak aan met Adolf Eichmann.
De man die later de logistiek van de Holocaust zou organiseren.
In Wenen was hij verantwoordelijk voor “Joodse zaken”.
Een Nederlandse huisvrouw, tegenover een van de meest kwaadaardige mannen uit de geschiedenis.
Truus keek hem aan en zei wat ze wilde:
toestemming om 600 Joodse kinderen te evacueren naar Engeland en Nederland.
Eichmann lachte haar uit.
“Bewijs het,” zei hij.
“Je hebt één week.”
Truus ging aan het werk.
Van kantoor naar kantoor. Telefoons. Formulieren. Gesprekken met doodsbange ouders.
Op 10 december 1938 stond ze op een perron in Wenen.
Achter haar: 600 kinderen.
Kleine koffers. Grote angst.
Ze had gewonnen.
De trein reed weg met Truus zelf als begeleider.
Langs controleposten waar één “nee” alles had kunnen stoppen.
Maar niemand hield haar tegen.
De kinderen bereikten veilig Engeland en Nederland.
En Truus?
Ze ging terug.
Tussen december 1938 en september 1939 maakte ze tachtig reizen naar nazi-gebied.
Elke reis betekende meer kinderen gered.
Maar ze stopte niet.
Niet toen ambtenaren tegenwerkten.
Niet toen nazi’s steekpenningen eisten.
Ze had een uitzonderlijk organisatietalent.
En iets dat nog zeldzamer was dan moed:
een koppige, onvoorwaardelijke liefde d