12/07/2026
Een warm verhaal om verkoeling te brengen. Nieuwe verhalen komen binnenkort
Ik heb ik mijn werkzame leven veel functie gehad in bijna
evenzoveel bedrijven. Mijn cv is dan ook indrukwekkend.
Niet echt 12 ambachten 13 ongelukken maar meer een logisch vervolg.
Toen ik na een verhuizing niet het door het uitzendbureau beloofde werk kreeg was ik ernstig teleurgesteld.
Terug op de plek waar ik wilde zijn maar zonder inkomsten.
De intercedente vertelde me niet zoveel voor me te kunnen doen.
“Maar ik moet wel mijn huur betalen” , zei ik zachtjes.
“Heb je iets voor mij, iets tijdelijks?”
“Misschien”, was haar antwoord. “Ken je de wasserij D?”
Nee, daar had ik nog nooit van gehoord en ook nog nooit in een wasserij gewerkt. Maar de huur en de ziektekostenverzekering moesten wel worden betaald. Dus liet ik me informeren.
Het bedrijf werd overgenomen en fuseerde.
De nieuwe vestiging werd 75 kilometer verderop gebouwd maar was nog niet helemaal klaar.
Een gedeelte van het vaste personeel was al overgegaan naar de grote vestiging.
Veel personeelsleden hadden een andere baan gevonden. Het gedeelte van het personeel dat niet mee kon omdat hun persoonlijke omstandigheden dat niet toeliet wachtte hun tijd af.
Als de vestiging definitief sloot konden ze aanspraak gaan maken op een werkloosheidsuitkering.
De opengevallen plekken werden opgevuld door ‘ons’, uitzendkrachten. De eerste ochtend werd de toon gezet.
Bij het melden in de kantine kreeg ik een werkschort en een sleutel van een kluisje.
Ik ging mijn jas en tas opruimen en terug in de kantine wilde ik aanschuiven bij het personeel.
Dat bleek een foute beslissing.
“Jullie, uitzendkrachten,zitten daar, wij zijn vast personeel”, werd mij te verstaan gegeven.
De leidinggevende wees naar het linker gedeelte van de kantine.
Het kostte me maar 3 seconden om het te begrijpen. Het was niet gastvrij, oncollegiaal zelfs.
Maar sec genomen waren we ook geen collega’s.
Wij waren opvulling voor het proces.
Slechts tijdelijk werknemers onder hetzelfde dak.
Ook al heb ik dit als onprettig ervaren ik heb het nooit persoonlijk genomen.
Het personeel wat was overgebleven probeerde hun bedrijfscultuur in stand te houden en rouwden tegelijkertijd.
Kortom het was geen dolle boel daar.
Van de 5 tafeltjes aan de linkerkant van de kantine waren er 3 bezet. Het en der zat iemand. Allemaal individuen, als los zand.
De eerste dag werd ik meegenomen door iemand van het vaste personeel.
Samen met nog een mevrouw die hier ook voor het eerst daar ging werken.
De volgende dag werd ons werk regelmatig gecontroleerd maar deden het werk verder zelfstandig.
In week twee kreeg ik een maatje mee.
Om haar wat op weg te helpen, was het idee.
Maar Thérèsa, zoals ze heette, was zelf al een eind op weg.
Samen met haar vriend was ze uit Tsjechië gekomen.
Hier in Nederland werkten ze allebei hard om zoveel mogelijk te kunnen sparen.
Het plan was om drie jaar hier te werken en dan terug in Tsjechië een huis te bouwen en te trouwen.
Als Thérèsa over trouwen sprak ging haar ogen stralen.
Maar dat niet alleen want met haar handen duidde ze de wijdte van haar trouwjurk aan en vergat verder alles waar ze mee bezig moest zijn.
Niet erg handig dus. Omwille van het geautomatiseerde proces vermeden we dat onderwerp dus zoveel mogelijk.
Toen we op een dag een grote vouwtafel vol wasgoed van de ziekenhuizen hadden gevouwen vroeg Thérèsa zich in alle onschuld af of het werk klaar was.
Ik schudde mijn hoofd, terwijl ik met mijn rechterhand het bijbehorende formulier tussen de stapel handdoeken probeerde te frummelen.
Kijk, zei ik en wees met mijn vrije linkerhand schuin achter ons.
Daar hoog boven in de de wasserij opende de enorme wasdroger zijn deur.
De was werd als een rollende hooibaal op de lopende band gestort.
De ogen van Thèresá werden zo groot als theeschoteltje.
Ze opende haar mond, vol van verbazing en afschuw en sprak de onvergetelijke woorden; “Willen zij mij dood maken?”
“Nog niet”, antwoordde ik, zo nonchalant mogelijk.
“Eerst moeten we werken.”
Samen polderden we ons door de volgende 60 kilo wasgoed.
Thèresá gaf aan het eind de week aan dat ze niet meer terug zou komen. Dit was geen werk, foeterde ze.
Ook de mevrouw die tegelijkertijd met mij aan dit werk was begonnen zag ik daar niet meer terug.
Ik hoorde via het uitzendbureau dat ze het te vermoeiend vond.
En ik was het met haar eens. Het was regelmatig beulswerk.
Nog altijd groet ik op de snelweg de vrachtwagen van de wasserij.
Met respect voor het harde werk.
Gelukkig kwam er voor mij ‘ een kruiwagen ‘ in de vorm van oud-cliënte.
Twee weken later ging ik naar het ziekenhuis.
Als voedingsassistente rolde ik weer terug in mijn oorspronkelijk beroep.
Bij hoge temperaturen denk ik nog vaak hoe warm het was in de wasserij. En dan hebben we het nog niet gehad over
het werk achter de mangelmachine.