18/06/2015
Een stukje vloer
Auschwitz, 2004
Vier mannen in een Saab reden hartje winter naar Polen voor goedkope remschijven. Het was een hachelijke onderneming. Mijn vader en ik kenden Pavel en Max amper, en waren op de bonnefooi met ze meegereisd voor een spontane vakantie. In Wroclaw moesten we de eerste avond met Max naar een rokerige hoerenkast. Behalve Max ging niemand mee naar boven. In de schemering van de kerstverlichting dronken we wodka tussen Poolse en Oekraïnse meisjes in ondergoed. Het rook er naar parfum en drank. ‘Pompen!’ vertaalde Pavel terwijl een sympathiek meisje me met vuistgebaren uitlegde wat ne**en was. Voor mij, als zeventienjarige maagd, was de spontaniteit en gekkigheid van de situatie spectaculair, maar dat drinken werd snel te veel. Met name voor mijn vader, die in een labiele fase verkeerde.
Het drinken ging door en op de derde dag kregen mijn vader en Pavel ruzie. Daarop besloten we naar Auschwitz te gaan, waar we aan het eind van de dag veel te laat aankwamen. Omdat het kamp gesloten was klommen we door een g*t in de omheining, en voor de zekerheid geboden we de taxi-chauffeur zijn lichten aan te houden en op ons te wachten. Onder een knalroze zonsondergang in de bijtende kou kwamen we aan bij de barakken, waar mijn vader onbedaarlijk begon te huilen. Tranen met tuiten voor de Weltschmerz die hij voelde. Voor mij als puber duurde het eindeloos, maar na wat ijsberen door de sneeuw werd hij kalm en samen bezochten we de rest van het kamp. Tijdens ons bezoek aan een houten barak haalde mijn vader een gestolen servet uit zijn zak, nam een handjevol van de vermolmde vloer en wikkelde het in de witte doek. Na een half uur liepen we rillend door het donker terug naar de taxi.
In een dronken bui formatteerde mijn vader het fototoestel, waardoor dit stukje vloer het enige aandenken is aan die markante reis.
Timo (1987)
Heb jij of ken jij iemand met een bijzonder souvenir? Laat het ons weten via Facebook of mail je verhaal naar [email protected].