21/05/2016
"En opeens schoot de herinnering mij te binnen. Het was de smaak van het stukje madeleine, dat mijn tante Léonie mij zondagsmorgens in Combray (want op die dag ging ik niet vóór de mis het huis uit) als ik haar in haar kamer goedemorgen kwam zeggen, gaf, nadat ze het in lindebloesemthee had gedoopt. Het zien van de madeleine had me nergens aan herinnerd, voor ik ervan geproefd had: misschien omdat ik dit gebak, zonder ervan te eten, vaak op de toonbanken van banketbakkers had zien liggen en dat daardoor het beeld zich van die dagen in Combray had losgemaakt en zich met andere, latere verbonden had; misschien ook omdat van die zo lang uit het geheugen
weggewiste herinneringen niets meer over was, alles zich in het niets had opgelost; de vormen ook die van de kleine schelp van gebak, zo zinnelijk en welgedaan onder zijn strenge en vrome
plooien- waren uitgewist of ze hadden, in diepe sluimer verzonken, de expansiekracht verloren, waardoor ze weer in het bewustzijn hadden kunnen komen. Maar als van een oud verleden niets meer is overgebleven na de dood van de personen en na het vergaan van de dingen, dan blijven alleen, brozer maar levendiger, immaterieel maar duurzaam, bestendiger en trouwer, de geur en de smaak nog lang als dolende zielen hun leven voortleven, herinneren, wachten, hopen, en op
de brokstukken van al het overige, in een bijna onwerkelijk klein druppeltje, weten zij het geweldige bouwwerk van de herinnering volkomen intact tot ons te brengen.
En zodra ik de smaak herkende van het stukje madeleine, dat mijn tante mij, in de lindebloesemthee placht te geven (ofschoon ik nog altijd niet wist en pas later zou ontdekken, waarom die herinnering mij zo gelukkig maakte), kwam het grijze huis aan de straat waar haar kamer op uitkeek, als een toneeldecor te voorschijn en voegde zich bij het kleine paviljoen dat
op de tuin uitkwam en dat voor mijn ouders aan de achterzijde was bijgebouwd (dus dat afgeknotte beeld, dat ik tot nu toe alleen maar gezien had) en met het huis de stad, van de ochtend
tot de avond en in weer en wind, het plein, waar men mij voor het middageten naar toe stuurde, de straten waar ik boodschappen deed, de wegen die we namen als het mooi weer was. En zoals
in dat Japanse spel waarbij men kleine propjes papier in een porseleinen kom met water gooit, die zodra ze ondergedompeld zijn, zich uitvouwen, kromtrekken, kleuren aannemen, zich
differentiëren en bloemen, huizen en duidelijk herkenbare figuren worden, op diezelfde manier kwamen nu alle bloemen van onze tuin en die uit het park van M. Swann, de waterlelies op de
Vivonne, de brave mensen uit het dorp en hun kleine huisjes en de kerk en heel Combray en zijn omgeving, alles wat vorm en vastheid heeft, de stad en de plantsoenen, uit mijn kopje thee."
Marcel Proust – A la recherche du temps perdu