03/05/2022
Tevreden loop ik naar mijn fiets. Een goede vriend helpen verhuizen geeft voldoening. ‘Ik kan niet klussen, maar ik kan wel sjouwen’, zeg ik altijd. Dat weet ze, want ze kent me goed. We zijn een goed team. We gaan beiden goed op een gestructureerd plan van aanpak. Dit plan heeft zij van te voren zorgvuldig uitgedacht. Ook is er een heldere taakverdeling. Zij geeft mij duidelijke opdrachten wat waar naartoe moet. En ik? Ik sjouw. Als alles op de plaats van bestemming staat, in dit geval bij de auto, aan de achterkant, weet zij dit precies zo in te richten dat het perfect in die auto past. Zij beschikt over dat ruimtelijke inzicht waar het mij aan ontbreekt. Het doet me denken aan de tientallen keren dat ik ging verhuizen en mijn vader mij hielp. ‘Je ziet toch dat dat niet past. Kijk nou uit,’ mopperde hij dan wel eens. Al wil ik daarmee niet zeggen dat wij geen goed team waren.
Ook al ben ik hier al vaak geweest, in dit huis van mijn goede vriend, toch zet ik Google Maps aan. Ik ontzie mezelf nu in de onrust van het verdwalen en de stress van het zoeken naar een herkenningpunt. ‘De volgende keer doe ik weer een dappere poging zonder Google Maps,’ spreek ik mezelf toe. Wetende dat dit veelal uit zal draaien op een ‘Sorry, te laat, weg kwijt, niet vinden, dacht dat het wel lukte zonder, enzovoort.’ Waarop mijn goede vriend me geruststellende toespreekt: ‘Ik ken je toch, het geeft niet, maar sta jezelf gewoon toe dat je Maps nodig hebt.’ Wijze woorden.
Als ik de fietsenwinkel herken zet ik Maps uit. Mijn benen zijn zwaar van het heen en weer lopen op de trap. Maar ik kan niet langzaam fietsen. Net zo min als dat ik langzaam kan drinken.
Voor mij fietst een man op een snelle fiets; goeie banden, lekker stuur en twee flink gevulde fietstassen. Hij is op fietsvakantie denk ik.
Hij draagt een bijpassende outfit, inclusief helm ,zonnebril, en buikje. Flink buikje. Laat ik het een ‘behoorlijk gezellige buik’ noemen. Meneer Buik is een jaar of 50 gok ik. Ik ben onder de indruk van zijn snelheid en probeer hem bij te houden. Zo hard als ik kan duw ik mijn voet op het pedaal. Het wordt een missie. Deze man niet uit het oog verliezen.
‘Kijk pap hoe hard ik ga’. Op mijn witte kinderfiets met twee flink gevulde fietstassen,trapte ik zo snel als ik kon. Mijn vader en ik, op fietsvakantie. Onderweg zongen we, praatten we over het leven, hij luisterde naar mijn 10-jarige kinderklets en we lieten elkaar om de b***t mopperen. We zijn een goed team. Aangekomen op de eindbestemming (de Hunnebedden), zegt hij dat ik zo goed kan fietsen. Deze woorden van mijn vader doen me goed, al vind ik zelf ook dat ik goed kan fietsen. ‘Jij ook pap. Wij kunnen samen goed fietsen.’
Hijgend kom ik aan bij het stoplicht waar meneer Buik al is. Zodra het groene signaal is gegeven gaan we weer van start. Ik haal hem in. ‘Kijk pap, kijk dan, hoe hard ik ga’. Uiteraard haalt Meneer Buik mij weer in. ‘Ik mag hem niet uit het oog verliezen’ bijt ik mezelf toe. Het blijft een herhaling van elkaar zien bij de stoplichten-inhalen en weer inhalen. Als ik bij het volgende stoplicht wederom hijgend ben aangekomen kijken we elkaar aan. ‘Zo, jij kan goed fietsen’, zegt hij. Ik lach en zeg, ‘dankuwel, ja, nou, ik doe een wedstrijdje’. Dit floepte eruit zonder dat ik dat p***e wilde. ‘Dat dacht ik al’, en hij knikt vriendelijk. ‘Wedstrijdje met mezelf hoor, ik bedoel niet dat ik…’ Ik voel de behoefte om mezelf te verontschuldigen, maar tijd voor excuses krijg ik niet. ‘Ga zo door, en blijven genieten he’. Hij slaat rechts af. Ik ga rechtdoor. Onze wegen werden gescheiden.
Zo gaat dat soms.
Gelukkig kan ik goed fietsen.