Een omhelzing van poëzie

Een omhelzing van poëzie Passievolle poëzieliefhebber die gelooft in de kracht van woorden om de ziel te raken en het hart te verwarmen.

Altijd op zoek naar de schoonheid in het alledaagse en de magie in elke regel. Welkom in mijn wereld van verzen, verhalen en emoties!

05/09/2025

Kleuren en geuren

Het rood van die ene jas,
dikker dan je schouders,
de kraag die kriebelde tegen je kin,
en de kou die er nooit helemaal buiten bleef,
zo’n kleur blijft hangen in je ogen,
en jaren later,
tussen rekken vol jassen die geen betekenis dragen,
blijft je blik toch rusten op die ene,
omdat hij lijkt op toen.

Een geur kan je knieën zacht maken,
niet omdat je hem herkent,
maar omdat hij je uit balans trekt,
een wolk van iets warms, iets bloemigs,
en ineens staat de voordeur open,
klinkt een stem van boven,
valt licht uit een gang die niet meer bestaat.

Soms is het een kruimel van vroeger,
soms een lawine,
maar altijd is het raak,
kleuren en geuren,
ze kennen ons beter dan wij onszelf,
ze zeggen: je was hier,
en alles in jou herinnert zich mee.

04/09/2025

Ik ben een dromer.

Ik leef naast de dagen,
een stap opzij van wat men echt noemt.
De stemmen waaien langs me heen,
maar ik luister,
naar de fluistering van werelden,
die zich openen in stilte
zodra ik een bladzijde omsla.

Ze zeggen: je bent een dromer.
Alsof dat een zwakte is.
Maar ik bewoon kastelen van papier,
ik spreek met helden die nooit sterven,
ik rouw om werelden
die alleen in inkt bestaan.

En ik weet:
die werelden dragen mij.
Ze houden mij vast
als de lucht te zwaar wordt,
als de muren van het alledaagse
te strak sluiten.

In verhalen vind ik adem.
Een plek waar ik besta.
Een plek die kan bestaan,
zonder de logica van hier.

En soms, heel even,
pakt de fantasie mijn hand,
brandt een vonk in dit leven,
waardoor zelfs deze werkelijkheid
zachter wordt, ruimer,
lichter te dragen.

Dus noem mij maar een dromer.
Want een dromer vlucht niet.
Een dromer ziet.
Ziet dat er meer werkelijkheden zijn,
en weigert te geloven
dat er maar één
de echte is.

02/09/2025

Onvoltooide levens

Wij zullen nooit de boeken lezen
van de schrijver die geen schrijver werd,
geen hand die letters bouwt tot werelden,
geen stem die zacht de stilte redt.

Wij zullen nooit de tonen horen
van de jongen, een nieuwe Bach,
zijn vingers zwegen vóór ze spraken,
zijn melodieën stierven in de nacht.

Geen zaal gevuld met licht en adem,
geen ballerina die de lucht doorsnijdt,
haar voeten trainden naar de hemel,
maar het applaus heeft haar nooit bereikt.

De onderzoeker met zijn vragen,
vlak bij het antwoord, aan de grens,
zijn vlam geblust nog vóór het schijnen,
zijn doorbraak sloeg in stof uiteen.

En ergens, tussen puin en sirenes,
staan dromen, broos en afgesneden.
Midden in het vuur breekt een toekomst af,
en is niet meer dan een verleden.

Wij dragen niet hun namen verder,
wij kennen hun gezichten niet,
maar elke adem die verstomde
laat een leegte achter die niemand ziet.

De Glazen TuinDe maan hing laag boven de baai, een bleke schijf in een lucht van blauwzwart fluweel. In de verte wiegden...
14/08/2025

De Glazen Tuin
De maan hing laag boven de baai, een bleke schijf in een lucht van blauwzwart fluweel. In de verte wiegden verlaten masten tegen elkaar, hun touwen zongen een klagend lied in de wind. Het pad naar het landhuis was overwoekerd met zilverkruid dat glinsterde als bevroren spinrag. Elke stap kraakte zacht, alsof de aarde niet gewend was aan bezoekers.
Ze was gekomen voor het gerucht: een tuin van glas, diep verborgen achter het huis. Men fluisterde dat wie daar binnentrad vrede vond, dat de bloemen rust schonken aan wie iets verloren had wat nooit terugkeerde. Sinds die winter droeg ze die leegte met zich mee, een naam die nooit geroepen zou worden, een wieg die stof verzamelde in een donkere hoek van haar huis.
De voordeur stond open, niet zozeer uitnodigend, maar eerder onafwendbaar.
Binnen hing een geur van stof, vocht en iets zachts, zoetigs… als amandelen in regenwater. Een klok tikte langzaam, met de precisie van een ademhaling.
Ze volgde een nauwelijks hoorbaar gefluister, als bladeren in een wind die er niet was. Het leidde haar naar een serre waarvan de ramen beslagen waren met een dunne waas, alsof de nacht zelf naar binnen was geslopen. Toen ze de deur opende, kantelde de wereld.
De tuin lag daar, en hij g***sde.
Elke bloem, elk blad, zelfs de grond bestond uit doorschijnend kristal, maar bewoog als levend weefsel. Het maanlicht brak in duizenden prisma’s, tinten die buiten deze wereld niet bestonden.
Ze raakte een bloem aan, koel, glad, als porselein. Het trilde onder haar vingers, alsof het ademde. En toen hoorde ze het, niet één lach, maar honderden. Elke bloem leek te fluisteren, te giechelen met stemmen die te licht waren voor deze wereld. Kinderstemmen, samengevlochten in een eeuwige, fonkelende koorpartij.
Op haar tong proefde ze de zilte smaak van een storm op zee, en een kil besef kroop langs haar ruggengraat: het was net of deze bloemen gegroeid waren rondom zielen. Kleine, zachte zielen, gevangen in kristal, gedoemd om voor altijd te bloeien.
Tussen de bloemen stond een figuur. Slank, met ogen die schitterden als water in schemer. Hij glimlachte, zei iets, maar de woorden klonken in haar botten, niet in haar oren. Ze voelde het vreemde, onvermijdelijke besef dat ze niet te lang mocht luisteren.
Ze knipperde.
Ze stond buiten. Het huis lag donker en verlaten achter haar. Geen deur open, geen serre, geen tuin. Alleen het geluid van de golven en de geur van nat zilverkruid.
In haar hand lag een bloem van glas.
Hij pulseerde zacht, alsof er diep vanbinnen iets wakker bleef.

De Dans van de Vergeten NachtDe zee lag kalm die avond, maar de lucht droeg een zilte kilte die tot diep in mijn botten ...
12/08/2025

De Dans van de Vergeten Nacht
De zee lag kalm die avond, maar de lucht droeg een zilte kilte die tot diep in mijn botten kroop. Het water sloeg zacht tegen de houten p***n van de kade, een trage, diepe slag, alsof de zee zelf ademde. Ik had geen reden om hier te lopen, behalve een drang die ik niet kon verklaren, een fluistering in mijn achterhoofd, als een melodie die ik meende te kennen maar niet kon plaatsen.
De stad lag gehuld in mist. Lantaarns wierpen kringelende schaduwen op de natte keien, en tussen twee smalle straatjes doemde het op: een paleis. Of wat er nog van over was. De gevel was verweerd, maar in het bleke licht van de maan g***sde het marmer zacht, alsof er binnen iets brandde dat de nacht tartte.
Een groot portaal stond op een kier. Uit de opening droop een geluid naar buiten, geen lawaai, maar muziek. Strijkers, langgerekt en donker, als water dat over zilveren randen stroomt. Het was een wals, maar zo langzaam dat hij aanvoelde als een hartslag in de verte.
Mijn voeten vonden vanzelf de drempel. Binnen rook het naar zout, oud hout en iets zoets, de geest van bloemen die ooit de lucht hadden gevuld. Een brede trap van zwart marmer leidde omhoog. Bij elke trede zwol de muziek aan: een altviool die als fluweel om me heen sloeg, cello’s die traag dreunden als onweer in de verte.
Bovenaan de trap lag een balzaal, badend in licht. Kroonluchters hingen als bevroren watervallen aan het plafond, elk kristal ving het kaarslicht en brak het in een duizendvoud van glinsteringen. De vloer g***sde alsof hij vloeibaar was.
Daar, in de ruimte, bewoog de muziek zelf. Dames in zijde en kant, heren in rokkostuums en glimmende laarzen, allen draaiend in een wals die meer zweefde dan stapte. Hun jurken ritselden als golven, hun schoenen tikten zacht in het ritme van de strijkers.
Aan de rand van de zaal stond zij. Een vrouw in een zilvergrijze jurk die in het licht leek te golven als maanlicht op zee. Haar donkere haar viel los over haar schouders, glanzend als natte inkt. Haar ogen waren groot, bijna zwart, en keken me aan alsof ze mijn naam al kende.
Ze stak haar hand naar me uit. “U bent laat,” zei ze zacht. Haar stem mengde zich moeiteloos met de muziek, alsof ze zelf een instrument was.
Ik legde mijn hand in de hare. Haar huid was koel, maar niet koud, eerder als water op een zomeravond. De dans voerde me de kring in, en zonder dat iemand me duwde of trok, bewoog ik mee. De violen klommen hoger, de cello’s zongen dieper, de hele zaal golfde op de maat van een onzichtbare dirigent.
Toen merkte ik het. In de spiegels langs de muren zag ik hen allemaal… behalve mijzelf. Alleen de zilvergrijze vrouw stond naast me in de reflectie. Haar hand kneep even in de mijne.
De muziek vertraagde. Eén voor één hielden de dansers stil, hun ogen op mij gericht. En terwijl ik hun gezichten in me opnam, voelde ik een steek van herkenning. Een oudere heer met een zilveren wandelstok, zijn blik raakte iets in mij dat ik niet kon benoemen. Een jonge vrouw met kastanjebruin haar glimlachte alsof we ooit een geheim hadden gedeeld. Het waren herinneringen die geen plaats in mijn leven hadden, maar wel in mij.
De altviolen zakten weg, één toon tegelijk, als lampen die langzaam uitdoven. De laatste viool hield een noot vast, lang en snijdend, tot ook die wegstierf.
Ik draaide me terug naar de spiegels. En daar stond ik. Niet in mijn eigen kleren, maar in een donker kostuum dat perfect aansloot, met een masker dat mijn gezicht half verborg. Mijn houding was die van een danser die wacht op het eerste akkoord.
En toen zag ik haar. Niet de vrouw zoals ik haar hier had ontmoet, maar… haar. Zoals ik haar kende zonder te weten hoe. Ogen waarin hele levens voorbij waren gegaan, handen die ik ooit had vastgehouden in een ander leven, een andere tijd. Een golf van emotie overspoelde me, geen vreugde alleen, geen verdriet alleen, maar een liefde die alle tijd had doorstaan.
Ik wist dat ik niet bang was. Dit was geen ontvoering. Dit was thuiskomen.
In de spiegel hief mijn evenbeeld zijn hand. Zij legde de hare in de mijne. Onze vingers raakten elkaar, precies op de eerste maat.
"Welkom thuis," fluisterde ze, terwijl de muziek ons opnieuw optilde in de eeuwige draai van de Dans van de Vergeten Nacht.

11/08/2025

De laatste voorstelling

Het regende zachtjes die avond, het soort regen dat niet echt nat maakt maar toch in je kraag kruipt. Ik had geen reden om nog buiten te zijn, maar mijn voeten leken eigenwijs, alsof ze hun eigen route volgden. De straten glommen, lantaarnp***n wierpen lange, trillende schaduwen op de natte stenen.

Op de hoek van een straat waar ik dacht nog nooit geweest te zijn, zag ik het: een theater. Geen modern gebouw, maar een klein, oud pand met verweerde gevel en glas-in-loodramen waarin het licht zacht flakkerde. Er hing geen aankondiging, geen poster, enkel een messing bordje bij de deur waarop in sierlijke letters stond: Vanavond. Eén voorstelling.

Mijn hand ging als vanzelf naar de zware koperen deurklink. Het hout voelde warm, alsof er net iemand naar binnen was gegaan. Toen ik de deur openduwde, ademde ik een mengeling in van stof, fluweel en iets ondefinieerbaars, iets ouds, als herinneringen die je zelf niet bezit.

Direct rechts bevond zich een klein loket, omlijst door donker eikenhout. Daarachter zat een vrouw in een donkerblauwe cape, de kap deels over haar gezicht getrokken. Alleen haar ogen waren zichtbaar: grijs, glanzend, en met een blik die me deed denken aan oude portretten, alsof ze rechtstreeks uit een andere eeuw was gestapt.
Ze glimlachte kort, alsof we elkaar al kenden, en schoof zonder een woord te zeggen een klein, vergeeld kaartje naar me toe. De randen waren rafelig, maar de woorden stonden er helder op: Vanavond. Eén voorstelling.
Ik legde wat kleingeld op het marmeren randje, maar ze nam het niet aan. “Ga maar,” zei ze zacht, haar stem warm maar vreemd tijdloos. “De voorstelling gaat beginnen.”

Binnen was het schemerig. De zaal klein, maar rijk gedecoreerd. Goudkleurige lijsten, rode gordijnen, en in het midden een enkel podium, nauwelijks hoger dan de eerste rij stoelen. Er zat niemand. Geen publiek, geen geluid, enkel het geritsel van gordijnen die leken te bewegen zonder tocht.
Ik wilde me omdraaien, terug naar buiten, maar toen ging het voetlicht aan. Een vrouw stond op het podium. Ze droeg een jurk van zwart satijn, lang en golvend, met mouwen die uitliepen als rook. Haar gezicht werd half verborgen door een kanten masker, waardoor alleen haar ogen zichtbaar waren, donker, diep, en oud op een manier die niet bij haar jeugdige huid paste.

Ze begon te zingen. Geen woorden, enkel klanken, laag en golvend als een verre zee. Terwijl haar stem de ruimte vulde, veranderde de zaal. De stoelen vulden zich met mensen in kledij die ik alleen kende uit vergeelde foto’s: heren met hoge hoeden, dames met parels en zijden handschoenen. Hun gezichten waren bleek, hun ogen g***sden in het duister. Niemand bewoog.

Hun aanwezigheid was niet beangstigend, eerder onwezenlijk. Alsof ik per ongeluk een zaal was binnengestapt die niet voor mij bestemd was. De zangeres hief haar handen op, sierlijk en traag, en de muziek leek uit de muren te komen, uit de pluche stoelen, uit het stof in de lucht.
Ik keek rond, en zag dat het publiek niet ademde. Hun borstkassen bleven onbeweeglijk, hun ogen onafgebroken op het podium gericht. Toch straalde er geen dreiging van hen uit, het was eerder een stilte die zo diep was dat ze je langzaam opslokte.

De vrouw zong door. Haar stem zwol aan, vulde elke hoek van de zaal met een warmte die vreemd genoeg zowel troost bood als een zachte onrust liet kriebelen in mijn maag. De kroonluchter boven mij begon zacht te wiegen, zonder dat er wind was. Het goud in de lijsten g***sde sterker, alsof het zich herinnerde hoe het ooit fonkelde in een volle zaal.
Toen, heel even, kruisten onze blikken. Haar ogen hielden de mijne vast, en in dat moment voelde ik een vreemde zekerheid: ze kende me. Niet van vandaag, niet van dit leven misschien, maar haar blik was die van iemand die op mij had gewacht.

Ik wilde iets zeggen, maar mijn stem bleef steken. Ze glimlachte onmerkbaar en hief één hand naar mij, als een uitnodiging. Een zachte warmte trok door mijn borst, alsof ik door een sluier heen werd getrokken. De stoelen tussen ons leken weg te schuiven, de afstand kromp.
En toen…

Een enkel, scherp akkoord, alsof iemand onzichtbaar de snaren van een viool liet kermen. Het publiek stond op, allemaal tegelijk, in perfecte stilte. Ze draaiden zich niet naar het podium, maar naar mij. Honderden ogen, glanzend en vastberaden, alsof ik het volgende nummer was dat gespeeld ging worden.

Ik voelde niet dat ik bewoog, en toch leek de ruimte langzaam van mij weg te glijden. Het geroezemoes van een stad in de verte mengde zich met het zachte ruisen van regen. Mijn voeten raakten iets hards, geen tapijt meer, maar natte straatstenen. De geur van fluweel en stof week voor die van asfalt en een vage hint van uitlaatgas.

Ik knipperde, eenmaal, tweemaal. De regen was terug. Het zachte tikken op mijn jas klonk alsof het er altijd was geweest. Voor me lag een lege hoek van de straat. Geen theater, geen goudomrande ramen, geen messing bordje. Enkel een verweerde bakstenen muur met een dichtgemetselde boog, alsof er ooit een doorgang was geweest maar die lang geleden verdwenen was.

Ik draaide me om, zoekend naar iets, iemand, maar de straat was stil en verlaten. Alles was precies zoals ik het kende, behalve dat ik me herinnerde dat het niet zo geweest was.

In mijn hand lag iets kleins. Ik opende mijn vingers en zag een verkreukeld entreekaartje, de inkt bijna vervaagd, Vanavond. Eén voorstelling.

13/12/2024

De Zoekende Ziel

Dwars door nevelen van tijd en ruimte,
draagt zij een fluistering in haar kern.
Een echo van wat ooit was,
en een droom van wat nog komen zal.

Ze dwaalt niet, maar verkent,
door de dans van dag en nacht.
Haar vragen zijn sterren,
haar hoop de zon die nooit ondergaat.

Wat zij zoekt, zoekt haar ook,
en waar licht en schaduw elkaar raken,
vindt zij zichzelf terug.

02/12/2024

De 'alsen' die we ons steeds stellen,
zweven rond, maar lossen niets op.
We maken fouten, we zijn maar mensen,
laat die 'alsen' dus maar gaan, zet ze op stop.

29/11/2024
05/11/2024

De wenswinkel

Het was een koude, heldere nacht toen Lydia haar wens uitsprak. De sterren schenen met een grimmige g***s, alsof zij, miljoenen ogen die tussen de wolken knipoogden, haar geheim beluisterden en goedkeurend knikten. Ze stond helemaal alleen, omringd door een stilte zo zwaar dat ze leek te drukken op haar huid. Het zeldzame moment dat ze zich enkel en alleen het gewicht van haar adem bewust was. En met die adem liet ze haar wens los in de wereld, fluisterend en helder, als een gebed tot iets oud en onzichtbaar.

"Laat mij niet enkel wensen ontvangen, maar wensen schenken, aan degenen die ze werkelijk verdienen."

Ze wachtte, maar er gebeurde niets. Geen antwoord, geen teken. Toch voelde ze, diep in haar hart, dat het universum haar had gehoord.

De volgende ochtend daalde Lydia, in haar nachtjapon, de trap af. Ze keek al uit naar de vertrouwde geur van koffie die ze zou drinken in het zachte ochtendlicht dat haar woonkamer zo sereen deed lijken. Maar toen ze de laatste trede bereikte, stokte haar adem. Voor haar was geen woonkamer meer, geen eenvoudige meubels, geen deken die ze gisteren nonchalant over de bank had gelegd. In plaats daarvan stond ze in een wonderlijke, betoverende ruimte die deed denken aan een plek in dromen: een winkel vol licht en warmte, gevuld met de geur van hout en oud perkament, verlicht door een gouden gloed die langs de muren danste.

Overal stonden dikke boeken met rijke, glanzende leren omslagen, hun ruggen met sierlijke letters bedrukt. Ze waren opgesteld in prachtig gepolijste houten kasten die zo hoog reikten dat ze bijna verdronken in het duister van het plafond. En boven haar, oh, wat een wonderlijk zicht, zweefden sterren en planeten als in een geheim universum, zachtjes ronddraaiend in de lucht en badend in een mysterieus licht. Het voelde als kerstmis, het was een magisch en mysterieus feest van het onbekende.

Verbijsterd liep Lydia naar de deur. Ze opende die voorzichtig, stapte naar buiten en keek naar haar winkel die als een baken stond, een helder licht in de mistige straat, alsof het het enige kleurige ding in een wereld van grijze schaduwen was. Aan de gevel, in letters die leken te glimmen met een vreemd, ondoorgrondelijk licht, stond slechts één woord: Wenswinkel.

Voor Lydia het echt kon beseffen, zag ze een schaduw in haar ooghoek. Een man, die aarzelend voor de winkel stond en haar opmerkte. Hij leek bijna bang, alsof hij zich niet waardig voelde om binnen te komen.

"Is… is de winkel open?" vroeg hij, met een stem die zacht trilde.

Lydia knikte, haar handen voelden koud en klam. Ze opende de deur en de man trad naar binnen, onwennig, als een jongen die voor het eerst een heiligdom betreedt.

De man vertelde haar zijn verhaal: hij was verliefd, hopeloos, smoorverliefd op een vrouw die hem nooit een blik waardig keurde. Zijn leven was als een duistere nacht vol verlangens en gemis, zijn hart als een dolende ziel die enkel de warmte van haar liefde zocht. "Eén wens maar," fluisterde Lydia, haar ogen indringend op hem gericht, "één wens in je leven, denk goed na."

Hij knikte, zijn stem was nauwelijks hoorbaar toen hij vroeg: "Dat zij ook van mij zal houden."

"Voordat je deze wens mag doen," sprak ze, haar stem even zacht als het ruisen van de wind door een verlaten straat, "moet je iets geven. Ik vraag je om de eerstvolgende vreemdeling die je ontmoet, een vriendelijk gebaar te schenken, iets zuivers en belangeloos. Kun je dat doen?"

De man dacht kort na, schrok misschien heel even, maar knikte toen vastberaden. Een vriendelijke daad, zonder iets terug te verwachten, ja, dat kon hij doen, als dit hem zou brengen wat hij verlangde. Hij liet zijn hoofd zakken, en de woorden van Lydia leken zich als een zachte belofte in zijn hart te nestelen.

"Ja," antwoordde hij vastberaden. "Ja, dat kan ik doen."

Vervuld van geluk en hoop liep hij langs het park naar huis. Op een bank zat een oude vrouw, haar blik neergeslagen, de schaduw van een leven vol gemis weerspiegelde zich in haar houding. Een onpeilbare verlorenheid omhulde haar, en de man voelde instinctief dat dit zijn ruil was. Hij bleef staan, knielde voor haar neer en vroeg zachtjes of hij iets voor haar kon doen, maar ze schudde zwijgend haar hoofd. Hij merkte hoe haar handen trilden. Zelf had hij het warm; hij droeg de zware winterjas van zijn vader, een kostbaar erfstuk. Hij deed hem uit en sloeg hem om haar magere schouders.

De vrouw keek op, en in haar ogen fonkelde een glinstering van dankbaarheid en verwarring.

“Dank je,” fluisterde ze uiteindelijk, haar stem bijna gebroken. “Ik heb… lang geleden alles verloren. Dit is het eerste gebaar dat iemand me toont, in vele, vele jaren.”

Haar woorden sneden diep in zijn ziel en riepen een leegte op die hij niet kende. Hij voelde een plotselinge drang om haar meer te geven, iets blijvends. “Kom mee,” sprak hij, “ik neem je mee naar de Wenswinkel.”

De vrouw glimlachte flauwtjes, een haast spottende uitdrukking op haar gezicht. “Een Wenswinkel? Mocht die echt bestaan, dan was ik er vast al geweest.”

“Toch wel,” antwoordde hij vastberaden. “Ik breng je ernaartoe.”

De vrouw stond aarzelend op en volgde hem. De winkel zou maar een paar straten verderop moeten zijn, dacht hij, maar hoe hij ook zocht, het licht was nergens meer te vinden. De straat leek dezelfde, maar de Wenswinkel was verdwenen, de warmte en het licht verstomd. Langzaam drong het besef tot hem door: hij had zijn wens al gekregen. Dit was het einde van zijn pad.

De vrouw pakte zijn hand en kneep er zachtjes in. Een onverklaarbare pijn vulde zijn hart, een gevoel van verlies dat hij niet kon begrijpen. In stilte wandelden ze terug naar het park, en met elke stap werd zijn gevoel van verwarring dieper.

Lydia had geweten dat hij het nooit echt zou kunnen begrijpen. Met zijn wens had hij niet alleen de liefde van de vrouw ontvangen, maar ook het verdriet van een ziel die hij nooit helemaal zou kunnen loslaten.

Zo kwamen er vele anderen binnen, elk met een verhaal dat Lydia's hart bewoog en vervulde met zowel vreugde als verdriet. Sommigen vroegen om gezondheid, om geluk, om verlossing van hun zorgen. Een moeder wenste voor haar stervende kind; Lydia vroeg haar een herinnering achter te laten, een brok van haar eigen levensverhaal, als een klein offer. Het was alsof Lydia niet zomaar wensen vervulde, maar stukjes van hun ziel oogstte, die verloren gingen in de diepten van haar betoverende winkel.

Maar niet iedereen kon een wens zomaar dragen. Er was een jonge vrouw die rijkdom wenste, onschuldig, denkend aan een leven zonder geldzorgen. Lydia gaf haar een vreemde opdracht: “Geef aan de arme, deel met de vreemdeling.” De vrouw lachte en dacht dat het simpel was. Toen ze rijk werd, voelde ze echter hoe haar eigen leven verwaterde, haar gezondheid, haar vreugde. De prijs van een wens, besefte Lydia, kon bitter zijn.

Op een nacht, toen de wind huilde rond de winkel als een verloren ziel, verscheen een nieuwe figuur in de deuropening: een gebogen, vermoeide man met ogen die door merg en been leken te boren. Lydia voelde een koude rilling bij zijn aanwezigheid.

“Mijn wens,” sprak hij uiteindelijk, met een stem als schurend ijs, “is eenvoudig. Laat me het lot van anderen kennen, hun geheimen, hun verlangens. Ik wil de mens doorgronden.”

Lydia hield zijn blik vast, haar ogen smal, zoekend naar de ware intenties achter zijn woorden. “Maar waarom, waarom zou iemand zó’n wens doen?” vroeg ze, haar stem doordrenkt van achterdocht en nieuwsgierigheid.

Hij zweeg een moment, alsof hij woorden afwoog die hij lang verborgen had gehouden. “Omdat ik het gevoel heb dat ik altijd aan de zijlijn sta, kijkend naar anderen zonder hen ooit werkelijk te begrijpen. Het is alsof ik gevangen zit, afgesneden van hun diepere drijfveren, hun dromen en twijfels. Ik voel me…” Hij staarde even naar zijn handen, die trilden, voordat hij verder sprak. “verloren. Als ik dat wat mensen werkelijk beweegt kan doorgronden, kan ik misschien eindelijk… mezelf vinden.”

Lydia voelde de kilte van zijn woorden doordringen, maar iets in zijn blik leek oprecht, kwetsbaar zelfs. Zijn verlangen om dichter bij anderen te staan, om hen te begrijpen, had een zekere treurigheid die haar hart bewoog, ondanks het vreemde verzoek. Voor een ogenblik voelde ze een lichte twijfel, maar haar medeleven overwon.

“Als je dit écht wilt,” zei ze uiteindelijk, haar stem kalm maar weifelend, “dan zal ik je wens inwilligen. Maar onthoud dat sommige geheimen als een last kunnen wegen, dat er zielen zijn die pijnlijker zijn om te doorgronden dan je je nu voorstelt.”

Hij knikte, vastbesloten, en Lydia voelde een koude huivering door haar heen trekken toen de wens uitgesproken werd. Ze wist niet precies waarom, maar ergens vermoedde ze dat deze wens uiteindelijk een prijs zou eisen die hij niet volledig kon begrijpen.

De wind nam zijn gedaante op en blies hem de deur uit, en Lydia voelde dat zijn wens haar een gevoel van naderend onheil naliet, als een donkere wolk.

Weken en maanden gingen voorbij. De Wenswinkel werd bezocht door de arme, de eenzame, en de verlangende; het waren mensen die naar troost snakten, die een onzichtbare last droegen die Lydia even kon verlichten.

Maar hoewel iedereen na hun bezoek de winkel voor altijd leek kwijt te raken, keerde één schaduw terug, en Lydia wist instinctief wie deze schim was, en de wetenschap sneed diep. Het was de man die zij ooit had toegestaan een wens te doen, een man die verlangde naar inzicht in de verborgen harten van anderen. Ze had hem gewaarschuwd, hem zelfs nog gevraagd om goed na te denken, maar zijn wens was groter dan zijn voorzichtigheid.

Hij had gekregen wat hij vroeg, de diepten van zielen doorzien, maar in ruil had hij zijn eigen ziel verloren. Hij was niet meer dan een schim van zichzelf geworden. Soms, heel even, meende ze in de weerspiegeling van de etalageruit zijn ogen te zien, donkere gaten gevuld met een eeuwige honger en spijt.

De schaduw van zijn wens bleef voor altijd aan de winkel verbonden, een stille waarschuwing voor iedereen die dacht dat er geen prijs te hoog was om een verlangen te vervullen.

Sindsdien verdween de Wenswinkel langzaam uit de wereld, alsof hij zichzelf verborg. Lydia had ingezien dat wensen vervullen een gevaarlijk spel was, dat vaak duisterder en zwaarder werd dan zij ooit had bedoeld. De lasten van verlangens, verlangens die vervuld én teleurgesteld werden, hadden zich als schaduwen in de winkel genesteld.

Nu verschijnt de winkel alleen nog soms, op mistige straten of onder vreemde sterren, voor hen wiens harten werkelijk bereid zijn de prijs te betalen. En de mensen die erin geloven, fluisteren erover met een mengeling van angst en verlangen, want zij weten dat wie een wens doet in de Wenswinkel, altijd iets zal verliezen… en misschien, heel misschien, ook iets van zichzelf.

Copyright Veronique Loiselet.

15/10/2024

De wachter van dromen

In de stilte van de nacht, als de wereld slaapt,
vangt de wachter met handen als takken van een boom
onder een zilveren maan die boven hem waakt
elke droom die door ieder van ons wordt gedroomd.

Sinds ons allereerste bestaan
weeft hij de dromen tot een eindeloos glinsterend deken,
elke ster die straalt is weer een nieuw verhaal,
geen enkele droom gaat verloren, geen gedachte wordt vergeten.

Als we slapen gaan, wordt het deken over ons gespreid,
we sluiten onze ogen en we geven ons over aan de nacht,
we worden zachtjes toegedekt en naar een andere wereld geleid,
waar de wachter geduldig op ons zielenfluister wacht.

Met gebaren nog zachter dan de adem van een kind,
wordt elke droom met uiterste zorg in zijn deken geblazen,
en vertrekt hij als een schaduw op de vleugels van de wind
eens het zachtgouden licht van de morgen ons doet ontwaken.

En zo vertellen ons de sterren, ontelbaar in getal,
alle verhalen die we droomden en al lang vergeten zijn
ze staan voor altijd geschreven in het mysterie van het heelal
onder de wachter die waakt, zodat geen enkele droom verdwijnt.

Copyright Veronique Loiselet

Adres

Edegem

Website

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Een omhelzing van poëzie nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Delen

Type